Vorige week leverde ik eindelijk het manuscript in voor CreativeNotes. Een project waar ik vorig jaar zomer aan begon, een tijdje pauze van nam en deze zomer hard aan doorwerkte om af te ronden. Het is een enorme opluchting om zo’n manuscript in te leveren. Tegelijkertijd is het een gevoel van “wat nu”?

Want het is nog niet af. Er is nog een voor- en nawoord nodig. Mocht er nog ruimte zijn (yeah right…) dan wellicht een soort verklarende woordenlijst of een deze-moet-je-eens-proberen lijstje met notitieboeken en pennen. Vrij subjectief natuurlijk en ik ken ook niet alle merken en soorten. En de opmaak. En dan nog 1001 kleine andere dingen die oppoppen. O ja, een auteursfoto. Nog zo’n ding.

Ik wacht eerst op het vonnis van de uitgever. Wat vindt hij van de indeling, de hoofdstukken, hoe loopt het, maar net zo goed spelling en de grammatica. Veel heb ik al laten checken. Door mensen en machines. Maar niet alles. Daarnaast wil ik dat het binnenwerk een opvallende opmaak krijgt. Ik heb enorm veel fotomateriaal, daar wil ik iets mee. Komt er ook een website? Wat ga ik verder aan marketing, PR en opvallende acties doen?

Maar nu breekt zo’n periode aan waar wat ik heb geschreven niet meer echt van mij is, maar ook nog niet van de lezer, van julllie (tenminste, dat hoop ik dan, dat jullie het boek willen lezen!). Austin Kleon had het hier eens over in zijn (betaalde) nieuwsbrief. Hij quote weer Jonathan Lethem. Die ik niet kende maar nu wel benieuwd naar ben. Want in zijn boek The Ecstasy of Influence beschrijft hij die periode als volgt:

For me, there’s a weird, unfathomable gulf—I almost wrote gulp—between the completion of a novel and its publication. Some days this duration feels interminable, as though the book has voyaged out like some spacecraft on a research mission, populated by forgotten losers like the ones in John Carpenter’s Dark Star, a craft cut loose by those who launched the thing and now grown irretrievable, bent by space and time into something distorted and not worth guiding home. Then there are other days, where the book might be a pitch that’s left your hand too soon, now burning toward home plate, whether to be met by a catcher’s mitt or the sweet part of the bat you can’t possibly know. Hopeless to regret it once you feel it slipping past your fingertips. Just watch. (That’s the gulp.) The weirdness is in that interlude where the book has quit belonging to you but doesn’t belong to anyone else yet, hasn’t been inscribed in all its rightness and wrongness by the scattershot embrace and disdain of the world. It’s a version of Schrödinger’s cat, unchangeably neither dead nor alive in its box.

Ja, dat is het. Het is een soort van Schrödingers Note. We kunnen er nog veel aan doen, maar de grote berg is genomen. Vanaf hier is bijpunten, nog wat schaven. Maar, zoals Kleon al zegt, om die periode te overbruggen, kun je maar beter druk zijn. Nieuw werk maken. Andere dingen doen. Dus dat doe ik nu. Klantwerk. Hier schrijven. Morning Pages schrijven. Werken aan de marketing van het boek. En veel foto’s uitzoeken. Werken aan een fantastisch binnenwerk. Hart en ziel in de lancering stoppen. Zoveel zin in. En nog zoveel ideeën die nog op de plank liggen.